Pluimvee

wij hebben 3 ganzen, 1 ganzerik Remy met 2 vrouwtjes Nicoline en Dons

ganzen

Ganzen

Voor het houden van ganzen is in de eerste plaats een flink stuk grasland nodig. Afhankelijk van onder meer de bodemgesteldheid en het ganzenras is per gans 20 - 50 vierkante meter vereist. Als u bedenkt dat een gent meestal wordt gehouden met één tot drie vrouwtjes, is voor het houden van een groepje ganzen dus minimaal 100 vierkante meter grasland nodig. Een iets kleinere oppervlakte is eventueel ook toereikend, maar dan zal er het hele jaar door moeten worden bijgevoerd. Worden de dieren op een te kleine oppervlakte gehouden, dan verandert het grasland al snel in een modderpoel. Dat heeft tot gevolg dat de ganzen er vooral in het najaar en de winter onverzorgd uitzien. Een weide van de gewenste afmetingen levert in de zomer maanden meer gras op dan de ganzen kunnen opeten. Daarom kan het nodig zijn om te maaien. Bedenk ook dat ganzen van kort gras houden en lange sprieten het liefst laten staan. Hoewel tamme ganzen geen geweldige vliegers zijn, moet het weiland toch worden voorzien van een deugdelijke, één tot anderhalve meter hoge afrastering. Die is nodig om ze te beschermen tegen loslopende honden en andere indringers. Broedgelegenheid Een schuilgelegenheid hebben ganzen niet nodig. Het zijn geharde dieren die eerder last hebben van warmte dan van koude. Daarom stellen ze het op prijs, als ze op hete dagen de schaduw kunnen opzoeken van een boom of een groepje struiken. Ook is het zinvol om in het voorjaar enkele broedtonnen of -kisten in het weiland te plaatsen, met daarin wat kort geknipt stro en houtkrullen. Daarin zullen ze hun eieren leggen en uitbroeden. Vijver als luxe Het is voor ganzen niet noodzakelijk om de beschikking te hebben over een vijver, want het zijn geen watervogels. Is er een vijver, dan gebruiken ze die om zich in te wassen en in het voorjaar om te paren. Zo'n luxe voorziening hoeft niet groot te zijn. Een koppeltje van twee of drie ganzen heeft genoeg aan een ondiep betonnen vijvertje met een wateroppervlakte van 1 tot 2 vierkante meter. Zorg er wel voor dat het gemakkelijk schoongemaakt kan worden en dat de directe omgeving niet modderig wordt, bijvoorbeeld door het aanbrengen van een laag grof zand of kiezelstenen. Het is heel handig om een platte bak van circa 1 vierkante meter als vijver te benutten. Die kan dagelijks met weinig moeite worden verschoond. Een bijkomend voordeel is dat zo'n bak verplaatsbaar is, waardoor het gras beter in conditie blijft. Bijvoeren In de zomermaanden groeit het gras in de weide zo snel dat ganzen in principe niet bijgevoerd hoeven te worden, maar er is veel voor te zeggen om dit wél te doen. Door regelmatig wat watervogelkorrel te geven, zullen de dieren geleidelijk aan de verzorger wennen en kan die hun conditie en gedrag goed controleren. In de winter- maanden is er niet genoeg gras en dan is het een noodzaak om bij te voeren met watervogelvoer. De benodigde hoeveelheid is afhankelijk van het grasaanbod, de kwaliteit van het gras en het ganzenras. Vooral als de eerste eieren worden gelegd, is het van groot belang om ganzen goed te voeren! Eieren weghalen De geslachtsrijpe vrouwtjes van de meeste tamme ganzenrassen leggen vanaf februari tot in mei zo'n 15 tot 45 eieren. Als die allemaal worden uitgebroed, wordt het erf al snel te klein voor de steeds uitwassende groep. Het is dan ook vaak nodig om jaarlijks een deel van de eieren weg te halen. Doe dat uit veiligheidsoverwegingen met 2 personen. De ene houdt de ganzen op afstand, terwijl de andere een aantal eieren wegpakt. Als u 2 of 3 eieren in een nest laat liggen, zal de broedende gans zeker terugkomen om die uit te broeden. Jongen handtam maken De jongen die na 28 tot 30 dagen uit de eieren komen, kunt u heel snel handtam krijgen door hun 'pleegmoeder' te worden. Om deze rol op u te kunnen nemen, is het zaak dat de gansjes u na de geboorte als eerste zien. Ganzenkuikens zijn namelijk geneigd om het eerst waargenomen bewegende voorwerp als moeder te accepteren. Dat kan de echte moeder zijn, maar ook bijvoorbeeld een kip, eend of de verzorger. Voordat u het 'moederschap' op u neemt, moet u wel bedenken dat er vrij veel tijd in gaat zitten. Bescherming tegen kraaiachtigen Treedt u niet op als 'pleegmoeder', dan zal de echte moeder met haar kroost direct de bescherming van de groep opzoeken. Dat voorkomt helaas niet dat de kuikens toch nog het risico lopen om te worden gedood door kraaien of roeken. Het kan dan ook nodig zijn om de moeder en haar kuikens de eerste twee weken onder te brengen in een goed afgesloten ren. Na die periode zijn de jongen groot en sterk genoeg om hun belagers te weerstaan.

Gehoord op de boerderij:

Bij de maisautomaat staat een heel klein meisje met een net getapte beker mais. Gans Remi, geen kleine jongen, heeft het op de beker voorzien en komt blazend op haar af. Het kleine meisje drukt de maisbeker tegen zich aan en zegt kordaat: «Je mág niet blazen, dat is niet lief! Dat vind je ook niet leuk als ik dat bij jou doe!»

Kippen

wij hebben verschillende kippenrassen los rond lopen: Brahma, zijdehoenders, wyandottes, krul chabot, Hollands hoen, boerenhaan,  sabelpootkrielen, Barnevelder krielen, Hollands kuifhoen  

Wyandotte kip

Ontstaan Het is niet geheel duidelijk welke kippenrassen aan het ontstaan van de Wyandotte bijgedragen hebben, maar naar alle waarschijnlijkheid hebben Cochins een grote invloed op het ras gehad. Vanaf 1860 zijn er meldingen van de eerste Wy-andotteachtige kippen. Deze dieren gingen onder verschillende benamingen door het leven. 'American Sebrights' en 'Excelsiors' zijn daar twee van. Een van de eerste fokkers van het ras, Houdlette, noemde het ras uiteindelijk naar het schip van zijn vader, Wyandotte. Onder deze naam werd het ras in 1873 in de Amerikaanse standaard opgenomen en tien jaar later officieel erkend. De zilvergezoomde variant was de eer-ste kleurslag, later zijn er vele andere kleurslagen bijgekomen. Uiterlijke kenmerken De Wyandotte is een vrij grote kip met een ge-wicht van circa drie kilo. Opvallend zijn de ron-de vormen, en de volle, rijke bevedering ver-sterkd dit beeld. Het zijn kippen met een breed lichaam. De rug is middellang en loopt in een holle lijn van de nek naar de middelhoog ge-dragen staart. De staartpartij zelf bestaat uit kor-te, stevige staartveren. Bekijkt u een Wyandotte van achteren, dan heeft de staart de vorm van een omgekeerde V. Bij de haan wordt de staart volledig afgedekt door korte, goed gebogen sik-kels en bijsikkels. De hen toont met haar diepe achterlijf dat ze een goede legster is. De borst is diep en fraai gerand. De stelling van het ras is niet zo hoog en lijkt op het oog nog lager gesteld te zijn door de volle, donsrijke bevedering. De beenkleur is geel. Wyandotten hebben een typi-sche ronde, korte kop. Het ras is rozenkammig, waarbij de doorn de neklijn volgt. De kam zelf is voorzien van kleine opstaande puntjes, het zogenaamde kamwerk. De oorlellen zijn rood en de oogkleur is roodbruin. Eigenschappen De populariteit van de grote Wyandotte is de laatste jaren overtroffen door die van de dwerg-variant van dit ras. De dieren zijn vriendelijk en vertrouwelijk. Mede door hun rustige aard zijn ze erg geschikt voor mensen die graag een paar 'tamme' kippen willen hebben, want ze zijn eenvoudig zeer handtam te krijgen. Ze hebben weinig tot geen neiging om te vliegen en kunnen daarom uitstekend loslopend in de tuin of in een open ren gehouden worden. De dieren zijn sterk en vitaal. Hennen zijn gemakkelijk en betrouwbaar broeds en ze begeleiden hun kroost uitstekend. De eieren hebben diverse kleuren, die variëren van licht getint tot bruin, afhankelijk van de kleurslag. Omdat de hennen vrij veel en ook behoorlijk 'hardnekkig' broeds kunnen zijn, moet u er rekening mee houden dat uw hennen tijdens deze periodes eventueel wat meer persoonlijke zorg verlangen. Bijzonderheden Dieren van dit ras zien er zwaarder uit dan ze in werkelijkheid zijn door de aanmerkelijke hoeveelheid donsveren.

 

                  Zijdehoenders.

De zijdehoenders zijn hoogst waarschijnlijk o­ntstaan in China en in Europa geïmporteerd rond 1827. Via diverse handelsroutes werden de zijdehoenders bekend o­nder verschillende namen. Vooral op markten waren ze zeer populair, daar werden ze verkocht als een kruising tussen een kip en een konijn. Zijdehoenders zijn de kleinste van alle hoenders, eigenlijk een half kriel. Ze wegen   o­ngeveer 1000 tot 1600 gram. De vorm van de zijdehoen komt het meest overeen met die van de Cochin kriel. Kenmerken van het ras: het lichaam moet rond zijn, de bevedering zacht, de huid donker en de oorlellen lichtblauw. De hennetjes hebben een bolstaande kuif en de haantjes hebben een typerende, achterwaarts staande kuif. De zijdehoen staat bekend om zijn rustige en vertrouwelijke aard en is makkelijk handtam te maken. De hennetjes staan niet bekend als grote ei-leggers (100 per jaar), maar ze blinken wel uit in het broeden en groot brengen van hun kroost. Omdat de zijdehoen zo’n betrouwbare broedster is, worden ze vaak als pleegmoeder ingezet voor het uitbroeden van fazanten eieren.

Brahma's

Met hun statige, opgerichte houding, flinke donsontwikkeling - waardoor het dier groter lijkt dan het in werkelijkheid is - en zware voetbevedering zijn de Brahma’s nog altijd veelgevraagde hobbykippen. Hun houding zorgt voor een zelfbewuste uitstraling zonder dat ze er wreed of vechtlustig uit zien. Het is een rustige kip met een indrukwekkende verschijningsvorm. Menig hobbyhouder roemt deze ‘’Koning onder de kippenrassen’’  vanwege hun aaibaarheid. Het is een knuffelkip bij uitstek. Kop en kam Opmerkelijk aan de Brahma is de kop. Die is in verhouding tot het lichaam vrij klein, kort en breed met overstekende wenkbrauwen. Opvallend is ook de kam. Die bestaat uit drie naast elkaar liggende kammetjes, de zogenaamde drierijige kam. Deze is klein, stevig en recht op de kop geplaatst. Anders dan bij andere dieren met voetbevedering mogen de Brahma’s geen gierhakken laten zien. Gierhakken zijn veren die in het verlengde van het dijbeen schuin naar achteren groeien. Indien ze aanwezig zijn, moeten deze uit zachte veren bestaan, die naar binnen zijn gericht. Verder is de Brahma vooral groot. De haan weegt vier tot vijf kilo, de hen drie tot vier kilo.

Barnevelder

Zoals met veel kippenrassen is gebeurd dankt de Barnevelder haar naam aan de plaats waar ze is ontstaan. Het is bekend dat in de omgeving van de gemeente Barneveld in Nederland in de 12e en 13e eeuw al kippen werden gehouden. Praktisch alle boeren hadden er toen kippen. In de 14e eeuw waren er vanuit Barneveld al eier-exporten van de Hertog van Gelre naar de Keizer Robrecht van Aken in Duitsland. Rond 1850 veranderde er wezenlijk iets voor het toenmalige Barnevelder Pluimvee die toen nog geen Barnevelders heetten. Men had de waarde van de selectie op produktie leren kennen. Met de komst van de Aziatische pluimveerassen zoals de Cochin, Maleier, Brahma's en Langshans in de tweede helft van de vorige eeuw werden, om tot een betere ei-produktie te komen, kruisingen toegepast. Buff Orpingtons zouden later ook nog een rol hebben gespeeld bij de ontwikkeling van dit ras. Omdat de vraag naar bruine eieren groter was dan naar witte wilde men een kip die bruine eieren legde. Verder was er grote behoefte aan een kip die ook in de winter eieren bleef leggen. Het uiteindelijke resultaat, aan het begin van de 20ste eeuw, was de Barnevelder (een voor die tijd geweldige legkip) die wel 180 - 200 grote, bruine eieren kon leggen. Volgens de inwoners van Barneveld leggen Barnevelders echter exact 313 eieren, als het jaar 365 dagen telt, omdat er in Barneveld, een vrij Christelijke gemeenschap, traditiegetrouw niet op zondag wordt gewerkt (365 dagen - 52 zondagen...!) Maar of we dat verhaal nog steeds moeten geloven?

Beschrijving Aanvankelijk hadden de Barnevelders nog niet de bekende dubbele zoming zoals wij die nu kennen. Die is pas later spontaan ontstaan. Het Franse ras Marans is gebruikt om de koffiebruine ei-kleur te verbeteren. In 1911 verschenen ze voor het eerst op een grote landbouw-tentoonstelling te Den Haag, Holland. Overigens hadden ze toen nog niet die kleur en aftekening zoals we die nu kennen. Het was meer een mengelmoes van patrijsachtig gekleurde dieren. De grote doorbraak kwam toen ze in 1921 op het eerste Wereld Pluimvee Congres van de WPSA in Den Haag werden getoond. Sindsdien worden ze niet alleen op produktie, maar ook op uiterlijk gefokt. Het is een middelgroot hoen, wat enigszins aan de Wyandotte en de New Hampshire doet denken. De beenstelling is echter hoger en de middellange hals wordt rechtop gedragen. Daardoor lijken ze aan de voorzijde hoger dan aan de achterzijde. De houding is enigszins opgericht van voren met een holle rug, die naar achteren toe oploopt, waardoor de ruglijn U-vormig is. De rug is middellang en vooral breed tussen de schouders. De brede zadelveren en het zadelbehang zijn goed ontwikkeld. De helderrode, enkele kam staat rechtop, is middelgroot, regelmatig getand en voorzien van 5 kampunten. De langwerpige, overlangs gevouwen oorlellen en de middellange, goed afgeronde kinlellen zijn levendig rood. De kop is middelgroot, vrij breed en diep met zoveel mogelijk haarachtige veertjes en een rode gezichtshuid. De krachtige snavel is geel met een hoornachtige kleur op de bovenzijde. De romp is diep, breed en vol. De staart wordt middelhoog, maar achterwaarts gericht gedragen waarbij de sikkels bij de hanen goed gebogen, breed en middellang zijn, zodat de staartstuurveren bedekt worden. Bij de hennen is de staart meestal matig ontwikkeld. De gele, middellange benen zijn goed uit elkaar geplaatst, terwijl de gele tenen eindigen met hoornkleurige nagels. Eigenschappen Barnevelders zijn in de omgang rustige, vriendelijke kippen die in een ruim hok het meest tot hun recht komen. Ze zijn levendig en actief van aard. Een ras dat van nature een grote legkracht heeft, ook gedurende de wintermaanden. De eieren zijn vrij groot, bruin van kleur en wegen elk circa 60 gram. Bij hoogproduktieve dieren wordt de ei-kleur meestal wat lichter. Broedsheid komt bij dit ras weinig voor. De kuikens groeien vlot op maar ze komen vrij langzaam in de veren. Gewicht Afhankelijk van de variëteit, het geslacht en de leeftijd tussen de 2750 en 3500 gram. Variëteiten Naast de dubbelgezoomde (roodbruin met zwartgroene dubbele zoom) Barnevelder komen er blauw dubbel-gezoomde, witte en zwarte voor. In het buitenland bestaan nog een aantal andere variëteiten die in Nederland niet erkend zijn.  

Chabo

De Chabo’s of Japanse krielen, zoals ze in het verleden ook wel werden genoemd, is een oud ras, afkomstig uit Japan. Hoewel ze pas in de negentiende eeuw als ras op de Europese shows verschenen, komt er op De Hoenderhof van Jan Steen uit 1660 een gele zwartstaart kriel voor, die exact lijkt op onze huidige Chabo’s. Het ras moet dus al zeer lang geleden door onze voorouders naar Nederland zijn gebracht. Daarna zijn ze echter uit beeld verdwenen. Tokogawa dynastie Vermoedelijk zijn de Chabo’s in Japan ontstaan tijdens de Tokogawa dynastie (1603-1867) uit dieren, afkomstig uit China. Al eeuwen worden ze in Japan gefokt volgens maatstaven die we thans ook nog kennen. In het verleden namen rijke Japanse dames deze kippen mee in kleine kooien of mandjes als ze naar de stad gingen. Ook zijn er verhalen bekend dat ze deze mandjes met Chabo’s en al ophingen in bomen als tuinversiering. Deze krielen waren in die tijd zoiets als schoothondjes voor de dames uit welgestelde kringen. Ze hoorden thuis in een omgeving van dwerg Ahorns en coniferen, bomen die in kleine tuintjes stonden waartussen de Chabo’s rondscharrelden. Engeland en Duitsland Ze moeten dus al heel vroeg naar Europa zijn gebracht, maar pas in 1860 is er sprake van een gedocumenteerde introductie van Chabo’s in Engeland. Daar verschenen de eerste witte kipjes op een tentoonstelling. Vervolgens hebben vooral de Duitsers zich ingezet om het ras naar Europa te halen. Verschillende vertegenwoordigers van de Duitse adel waren hierbij betrokken. Uit deze dieren is in de loop van de tijd een westerse Chabo ontstaan. In Engeland waren het vooral vrouwen die voor de verspreiding tot ver buiten de landsgrenzen zorgden. De Chabo voorzag echt in een behoefte. Immers, wie wil niet iets bijzonders op het erf hebben lopen? Het ras komt met z’n afwijkende uiterlijk tegemoet aan de wens om anders te zijn dan anderen. De kleine kip met de korte pootjes bestaat alleen in de krielvorm, draagt de buik bijna tot op de bodem, terwijl de vleugeleinden net de grond aanraken: geen andere kip ziet eruit als deze Chabo. Uiterlijke kenmerken Door de korte pootjes bewegen de dieren zich schrijdend en parmantig voort. Deze pootjes dienen niet alleen kort maar ook tamelijk dik te zijn en nauwelijks zichtbaar. Opvallend zijn ook de staart, die omhoog steekt (mag echter niet als een eekhoornstaart worden gedragen), en de naar achteren buigende hals, waarbij vooral bij de hanen de hals en de staart elkaar raken. Verder zitten ze dik in de veren, waardoor ze groter lijken dan ze in werkelijkheid zijn. Naast de normaal bevederde dieren zijn er krulvederigen en de zijdevederigen. Verder komen ze nog voor zonder staart: de zogenaamde bolstaarten. Japanners kennen ook Chabo’s met korte staarten en met sleepstaarten. Deze laatste hebben geen staartstuurveren of deze zijn nog slechts rudimentair aanwezig. Ook zijn er naast de Chabo’s met rode kopversierselen dieren met een zwarte kop, loopbenen, tenen en voetzolen. Bij de zwartkoppigen is de oogkleur bruinzwart. Kleurslagen Kortom, alleen al in type keuze genoeg. Dan zijn er nog de 25 kleurslagen, waarbij de meest typische de witte en gele met een zwarte of een blauwe staart zijn, dat wil zeggen het lichaam is wit of geel terwijl alleen de staart een andere kleur heeft. Wel treft men zwart of blauw aan in de grote en kleine slagpennen. De sikkels van de haan behoren wit omzoomd te zijn en een lichte schacht te hebben. De bijsikkels zijn vaak helemaal wit. Bij de hennen horen de staartdekveren een wit zoompje te hebben. Huisvesting Door de korte poten waarbij het onderlichaam en vleugels bijna of helemaal de grond raken, stellen de Chabo’s bijzondere eisen aan de huisvesting. Die moet schoon en droog zijn om vervuiling van de dieren te voorkomen. Lopen de Chabo’s los rond in de tuin, dan is een goed gemaaid grasveld op zijn plaats. Ook hierbij geldt: alleen naar buiten als het droog is. Karakter De Chabo is een dier dat in een beperkte ruimte kan worden gehouden. Door zijn karakter en rust is het van oudsher een geweldig hobbydier. Ook nu nog hebben deze krielen, waarbij in de fokkerij al eeuwen rekening is gehouden met de vertrouwelijke omgang met mensen, dit karakter behouden. Een ander voordeel is dat de hanen weinig vechtlustig zijn. Je kunt ze veel gemakkelijker dan bij andere rassen bij elkaar laten lopen. Alleen oppassen dat je geen vreemde haan erbij zet, want dan is de kans op vechten zeer groot. Een ander punt dat bij dit ras soms voorkomt, is dat de hanen mee zorgen voor de opfok van de kuikens.  

Hollands hoen

Van het Hollands hoen zou je mogen verwachten dat het in Holland is ontstaan. Maar erg Hollands is het Hollands hoen niet. Er stroomt zeker Hollands bloed door de aderen van dit hoen, maar het is aan Engelse fokkers uit de negentiende eeuw te danken dat er een ’gepeld’ Hollands hoen ontstond.

Het Hollands hoen is een apart ras. Het kent verschillende verschijningsvormen (gepeld, geloverd en enkelkleurig) en het heeft een merkwaardige ontstaansgeschiedenis, die slechts voor een deel in Nederland en voor een ander, belangrijk deel in Engeland moet worden gezocht. Hollandse Alledagsleggers ( Dutch Every Day Layers ) dat was de bijnaam van gepelde hoenders die in de negentiende eeuw door Hollandse handelaren werden verkocht aan Engeland. Deze naam hadden ze vermoedelijk te danken aan de uitbundige leg in het voorjaar en de zomer. Ze leken sterk op onze huidige Assendelfters, zowel wat type, kam en kleur betreft. Maar het zou, afgaande op afbeeldingen uit die tijd, net zo goed om andere West-Europese rassen kunnen gaan, zoals de Braekels en de Campines. Nemen we aan dat in de negentiende eeuw, en vermoedelijk al veel eerder, diverse gepelde hoenders naar Engeland zijn overgebracht, dan zou het best zo kunnen zijn dat door de Engelsen in de loop van de tijd hieruit een hoenderras is gefokt dat wij tegenwoordig gepelde Hollandse Hoenders noemen. Zeer waarschijnlijk zijn er enkelkammige Campines ingekruist, die een fraaie bandtekening hadden. Het gebruik van de Campines bij de fok van onze huidige gepelde Hollandse Hoenders verklaart de hennenvederigheid bij de Hollandse hanen. De hanen van het Hollands hoen wijken in tekening volledig af van de hennen. De goudpel hanen zijn over het gehele lichaam goudbruin terwijl de staart zwart is waarbij hoofd- en bijsikkels zwart zijn, omzoomd met een smal goudkleurig randje. In de slagpennen treft men ook enig zwart aan. De hennen daarentegen zijn warm goudgeel van kleur, waarbij - met uitzondering van de hals - de veren recht overdwars zijn getekend met groenzwarte streepjes. De zilverpellen en de citroenpellen lijken op de goudpellen. Bij de geelwitpellen is de kleur van de streepjes wit. Ook is er nog de goudblauwpel. Hierbij zijn de zwarte veerpartijen vervangen door blauwe. Het aantal variaties binnen de populatie Hollandse Hoenders is groot. Ze zijn te herkennen aan hun enigszins opgerichte houding, met een iets aflopende rug en een rijk ontwikkelde staart. De brede borst heeft een fraaie ronde vorm, maar voor de rest is het Hollands hoen zeker als slank te typeren. Kenmerkend is verder de middelgrote rozenkam, die eindigt in een fijne punt. De oogkleur varieert - in samenhang met de kleur van de veren - van oranje, roodachtig bruin tot donkerbruin. De ogen zijn vrij groot, met een levendige uitdrukking. De oren zijn wit, middelgroot en rond.

Hollandse Kuifhoenders

Dit ras is terecht het vlaggenschip onder de Nederlandse hoenderrassen. Het Hollands kuifhoen heeft sinds de zestiende eeuw – zo'n beetje het beginpunt van dit ras – weinig van zijn glans verloren. Als we naar de Hoenderhof van Jan Steen kijken, dan zien we een dier met een adellijke uitstraling, niet in de laatste plaats veroorzaakt door een hoofd vol met veren. Alsof de kip een hoed heeft opgezet waarmee zij moet verschijnen bij de koningin. Die associatie is niet zo vreemd, want het kuifhoen was eeuwen geleden een gewild relatiegeschenk op hoog niveau. Van die status mag dan weinig meer over zijn, de kip heeft daar niet onder geleden. Nog altijd is het een hoen met allure. Dankzij Nederlandse fokkerskunst was en is het kuifhoen een van de meest sierlijke en contrastrijke hoenders die er bestaan.

De kuif onderging in de loop der eeuwen wel enige verandering. Hij is voller en boller geworden. Begrijpelijk: hoe ronder, hoe mooier. Vooral de hennen zagen de fokkers graag getooid met een bolle hoed. Bij de hanen hangt de kuif, als gevolg van een andere structuur van de veren, een beetje naar beneden. Terwijl de kuiven groeiden en losser werden van structuur, kreeg het kuifhoen steeds minder te zien. Het gezichtsvermogen begon te lijden onder fokkers die wilden scoren met een zo wulps mogelijk uiterlijk. Er moesten duidelijke afspraken komen over wat wel en wat niet toelaatbaar was. De Nederlandse Kuif- en Baardkuifhoenderclub (NKBC) scherpte de regels aan en nam een vrij zicht op in de rasbeschrijving. De kuif moet sindsdien weliswaar nog altijd groot en vol zijn, maar de grootte moet wel in een goede verhouding staan tot het lichaam. Los van de kuivenkwestie beleven fokkers een hoop plezier aan het Hollandse kuifhoen. Ze creëerden een aantal kleurslagen. De meest bekende en meest voorkomende is het zwarte hoen met een witte kuif. Daarnaast kwamen er witgekuifde hoenders in de kleurslagen koekoek, blauw gezoomd, wit en zwartbont. Verder bestaan er kuifhoenders met gekrulde veren, witte hoenders met een zwarte kuif en krielen, allemaal in dezelfde kleurslagen. Kuifhoenders zijn sierlijke en aanhankelijke hoenders die aardig wat eieren leggen, maar helaas nauwelijks broeds worden. Ze hebben meer aandacht nodig dan een "gewone kip": met zo'n grote kuif kun je bij regenachtig weer maar beter binnen zitten. Bovendien is regelmatige controle op ongedierte zoals veerluis geen overbodige luxe. Maar een beetje liefhebber heeft al die extra zorgen er graag voor over. Enig minpuntje is dat sommige hennen behoorlijk kunnen krijsen. Buren kunnen daar hinder van ondervinden.

Sabelpootkriel

De sabelpootkrielen behoren met de Cochinkrielen tot de grotere krielrassen. Net als de Cochins en ook de Chabo's komen ze oorspronkelijk uit Azië, waar ze bekend stonden als Bengaalse of Bantamkrielen. Ze lijken sterk op de kippen die de Venetiaanse ontdekkingsreiziger Marco Polo (1254-1324) in zijn reisverhalen beschreef. Allemaal bewijzen dat we hier te maken hebben met een oud ras dat in elk geval al in de 16e eeuw in Nederland voorkwam, getuige een schilderij van Adriaen van Utrecht waarop deze hoenders staan afgebeeld: kippen met zoveel veren aan voeten en poten dat het wel lijkt alsof ze op een voetstuk staan.

Nog altijd beschikken de sabelpootkrielen over deze ''voetbevedering'', waarbij vooral de stijve veren aan de benen opvallen: die steken schuin naar achteren en hebben de vorm van sabels. Aan deze veren – gierhakken genoemd – ontleent de sabelpootkriel zijn naam. Is de vorm van de sabelpootkriel behouden gebleven, fokkers hebben zich uitgeleefd met tal van kleuren. Maar liefst negentien erkende kleurslagen telt dit ras inmiddels, waarvan het aloude porselein (een combinatie van drie kleuren op een veer, namelijk okergeel, zwart en wit) nog altijd een van de meest populaire is. Daarnaast komen de sabelpootkrielen voor in zwart-wit gepareld, blauw-wit gepareld, zwart, blauw, parelgrijs, wit, buff, gestreept, patrijs, zilver-patrijs, roodgeschouderd zilver-patrijs en wit-zwart columbia. Dan zijn er ook nog sabelpoten met een baard. Een gewaagd fokkersavontuur want daarvoor moet een beroep worden gedaan op andere rassen, zoals de Franse Faverollekrielen. De Nederlandse Sabelpootkrielclub waakt over de eigenheid van het ras. Grote waarde wordt toegekend aan harmonie. De verschillende eigenschappen moeten samengaan in een uitgesproken balans en resulteren in een fijngebouwd type. Ook is er een duidelijk verband tussen het uiterlijk en het rustige en tegelijk levenslustige karakter. Sabelpootkrielen zijn zeer vitale dieren. Bij de beoordeling van dit type heeft het totaalbeeld voorrang boven de afzonderlijke eigenschappen. Een goede sabelpootkriel is al van een grote afstand te herkennen.

Pauwen

pauw-1 De pauw is beroemd om zijn lange sleep, die hij als een waaier kan opzetten. De sleep bestaat uit zo’n 150 wonderbaarlijk mooie veren. Veel mensen vinden pauwen de mooiste vogels van de wereld. Vrouwtjespauwen hebben geen sleep en ze zien er niet zo opvallend uit als de mannetjes. En dat is maar goed ook, want het vrouwtje broedt. Als zij op het nest zit moet ze zo onzichtbaar mogelijk zijn voor vijanden. Er bestaan drie soorten pauwen: de blauwe pauw, de groene pauw en de Kongopauw.De blauwe pauw komt uit India en Sri Lanka. Het vrouwtje is bruingrijs. De groene pauw leeft in Birma, China, Thailand, Maleisië en op Java. Groene pauwen zijn het grootst en ze staan hoog op de poten. Mannetjes en vrouwtjes zijn groen. Groene pauwen zie je niet vaak, want je kunt ze niet loslaten in parken of bij kinderboerderijen. Ze zijn nogal agressief en de haan wil steeds vechten met andere hanen. Bovendien kunnen groene pauwen absoluut niet tegen de kou. De Kongopauw.In de vorige eeuw werd er nog een pauw ontdekt, midden in Afrika: de Kongopauw. Deze vogel is diepzwart met donkerrood. Hij leeft verstopt in de regenwouden. Hoenders Wilde pauwen vind je in vochtige, hete tropische bosgebieden, in de buurt van water. Helaas worden hun leefgebieden steeds kleiner door het kappen van bomen. Pauwen leven in kleine families. Een haan heeft meestal één tot vijf hennen. Het zijn loopvogels, ze zoeken hun voedsel op de grond. ’s Morgens vroeg en ’s avonds scharrelen ze rond en eten zaden, granen, vruchten, bessen, insecten, wormen en veel groen. Soms pikken ze een vlieg uit de lucht, of vangen een muisje. Ze kunnen heel hard rennen, maar niet zo goed vliegen. Ze slapen in bomen. Voortplanting Aan het einde van de winter wil de pauwhaan gaan paren. Hij begint de aandacht van de hennen te trekken door te schreeuwen, ook midden in de nacht. Zijn roep klinkt als: Ekkoh-Ekkoh en Paaauw-paaauw- paaauw! De hennen geven zachtjes antwoord. De hanen gaan pronken met hun schitterende staart. Ze doen dat niet alleen voor de hennen, maar ook voor andere dieren of voor mensen. Eerst doen de hennen alsof ze het helemaal niet zien. Daarna draaien de vogels een poos om elkaar heen. Uiteindelijk paren de pauwen. Het nest Mannetje en vrouwtje maken hun nest meestal in een kuiltje in de grond tussen de struiken. Maar soms ook in een dikke boom, in een leeg roofvogelnest, of zelfs op een gebouw. Het nest wordt bedekt met wat dorre bladeren of gras. Het vrouwtje legt gewoonlijk vier tot acht bijna-witte eieren. Ze worden niet allemaal tegelijk gelegd. Pas na het vierde ei begint de hen te broeden. Dat doet ze ongeveer 28 dagen. De haan blijft in de buurt. Jonge pauwtjes Jonge pauwtjes worden met veertjes geboren, niet met dons, zoals veel andere kuikens. Ze oefenen al heel jong om te pronken, ze trillen met hun vleugeltjes en zetten hun kleine staartveertjes op. De kuikens worden alleen door de moeder verzorgd. Ze vragen om eten door tegen haar snavel te tikken. Daarna worden ze gevoerd. Waarschuwen In India zijn pauwen al duizenden jaren geliefde ’huisdieren’, dat wil zeggen dat wilde pauwen mensen opzoeken. Ze eten voedselresten en vaak slapen ze in bomen midden in de dorpen. Pauwen komen voor in oeroude volksverhalen, daarin horen pauwen bij de liefde en bij de goden. En het brengt geluk als je een pauwenveer vindt! Nu nog hebben de dorpsbewoners graag pauwen in de buurt. Ze verdelgen slangen, ze eten vooral graag jonge cobra’s. En ze waarschuwen elkaar (en daardoor ook de mensen) met luid geschreeuw als er luipaarden en tijgers in de buurt zijn. Dat zijn hun grootste vijanden. Verspreiding De blauwe pauw kwam vanuit India met handelaars mee naar de landen rond de Middellandse Zee. Ze werden geschonken aan de farao’s in Egypte. Rijke Romeinen gingen pauwen houden als siervogels, maar ook om hun vlees. Bij feestmaaltijden van Romeinse keizers werden enorme schalen vol met tongen en hersens van pauwen op tafel gezet. Later brachten de Romeinen de pauw naar onze streken. Blauwe pauwen kunnen vrij tam worden. Als ze eenmaal gewend zijn aan een plek gaan ze er niet vandoor. Hoewel ze uit hete streken komen, hebben ze geen last van de kou. Ook al is er een warm verblijf, pauwen gaan rustig in een boom zitten slapen, al vriest het dat het kraakt. Siervogels In de 17e eeuw waren pauwen algemene siervogels in parken en tuinen in Europa. Maar ook hier werden hun vlees en hun eieren als luxe lekkernij beschouwd. Door het fokken ontstonden er allerlei nieuwe kleuren. Er bestaan nu crèmekleurige, bonte, sneeuwwitte en zwartvleugel-pauwen. Een keer per jaar zijn pauwen in de rui. Ze verliezen dan hun veren. Pauwenveren werden door de eeuwen heen gebruikt als versiering: bijvoorbeeld op helmen van krijgers, op dameshoeden en in waaiers. Ze zijn afgebeeld op muntstukken en in familiewapens. En ze werden in vazen gezet. Leefgebied Je kunt niet zomaar pauwen gaan houden. Je hebt om te beginnen een groot terrein nodig met bomen. Als pauwen een goed leven hebben, kunnen ze in gevangenschap 20 tot 30 jaar oud worden.  

Pekingeenden Ping en Pong

Een pekingeend (ook wel pekineend, witte parkeend of witte soepeend genoemd) is een eendenras dat afstamt van de wilde eend. Een pekingeend is herkenbaar aan het witte verenkleed en de oranje snavel en poten. De wilde eend is waarschijnlijk voor 1000 v.Chr. in Zuidoost-Azië gedomesticeerd. Van de pekingeend bestaan veel varianten, waarvan de witte kwaker en de witte parkeend in de Lage Landen het bekendst zijn. De Amerikaanse en Duitse pekingeenden en de Engelse Aylesburyeend worden meestal voor het vlees of de eieren gefokt. In sommige Chinese restaurants staat pekingeend als een vleesgerecht op de menukaart.